You are here: Mezekouw
   
Edel Heren Dispuut
Mezekouw

- E.H.D. Mezekouw is een dispuut van Studentenvereniging Circumflex -
   
Uit het werk van De Verkenner :



De Waarheid bestaat

Geachte heren van het Edel Heren Dispuut Mezekouw.

        Reeds enige tijd hebben ik, en mijn mede-candidati natuurlijk, ons mogen meten aan U, Mezekouw. Wij mochten onze mening staven aan de Uwe. Nu is het moment aangebroken dat U Uw mening kunt staven aan de mijne. Ik daag U uit!
        Vooruitziend, soms vertwijfeld, en verlangend naar dit moment, vroeg ik mij af, of ik tot een dusdanige hoogte zou kunnen stijgen, dat ik over de rand van het adelaarsnest heen kon kijken om de Steen der Wijzen te kunnen aanschouwen. Om de Steen in mijn handen te kunnen houden en er een plekje op te polijsten, een soort van kijkgat waardoor ik in de peiloze diepte van die bron van wijsheid kan turen, zo hoog in de bergen daar. Zal ik wijsheid vinden?
        De Japanse steenhouwer was ontevreden, verlangde naar een beter leven. Hij wenste rijk te zijn, en er kwam een engel uit de hemel, die zeide : 'U zij gelijk gij gezegd hebt.' En hij was rijk. Maar hij was nog niet tevreden. Hij wenste koning te zijn, en werd koning. De zon had macht boven de koning en hij wenste de zon te zijn. En de wolk had macht boven de zon (zij hield de zonnestralen tegen), en de rots had macht boven de wolk (die was immers niet weg te spoelen). Als rots had hij macht boven alles, dacht hij. Maar op een dag kwam er een steenhouwer aan, die op de rots begon in te hakken, en hij wenste weer steenhouwer te zijn. En hij vond wijsheid... Zal ik wijsheid vinden?
        Maar wat is wijsheid dan, en hoe kan ik het vergaren? Wijsheid is iets waar mensen altijd naar gehunkerd hebben, en altijd naar zullen blijven hunkeren. Wijsheid omtrent de zoveelste decimaal van het getal pi, omtrent de kooktijd van een ei, omtrent het kromgroeien van bananen, omtrent hogere machten, omtrent filosofische verhandelingen. Vroeger of later zullen mensen echter uit al die vergaarde wijsheden pogen De Waarheid te destilleren. Maar wat is de Waarheid dan? In al mijn nederigheid besef ik natuurlijk maar al te goed dat het na dik 21 levensjaren wel wat hoog gegrepen is om nu reeds De Waarheid te willen doorgronden. Daar is veelal zelfs een mensenleven te kort voor. Het is echter wél mogelijk, met de beperkte wijsheden die ik nu reeds heb, wat te filosoferen over het al dan niet bestaan van één waarheid, De Waarheid, en hoe mensen die interpreteren.
        Laat ik beginnen met te proberen een definitie te geven voor waarheid. Na heel wat hoofdbrekens koos ik voor het volgende : Waarheid voor iemand is het geheel aan OPENBARINGEN uit zijn of haar leven. Hier vanuit gaande stel ik dat DE Waarheid bestaat, maar dat zij niet uniek is. Ik kan deze paradox bewijzen, door te bewijzen dat het een paradox is. Laat ik beginnen met het eerste deel, een bewijs uit het ongerijmde :
        Stel dat DE Waarheid NIET bestaat. DE Waarheid zou iets zijn, uitgaande van mijn definitie, als een bepaalde entiteit bestaande uit openbaringen uit het leven. Echter, mensen zijn, zoals ik hierboven al schetste, altijd bezig met het vergaren van wijsheden en het daaruit filteren van waarheid. Allen streven naar meer inzicht en nieuwe openbaringen. Zeker op het moment dat iemand een tipje van de sluier die Waarheid heet, heeft opgelicht. Zo iemand heeft de zoetheid en puurheid van de Waarheid geproefd, raakt er aan verslaafd, en zal streven naar meer inzicht; een complete verzameling Openbaringen.
        Ik moet zeggen dat ik hier een tegenspraak op het gestelde beproef : Iemand met een beetje Waarheid die naar DE Waarheid streeft, terwijl die Waarheid niet bestaat!?! En uit hoeveel personen zou die groep van mede-naar-Waarheid-strevers bestaan? Ik denk toch wel dat we rond de 4 à 5 miljard uit zouden komen, die allen de grond van hun bestaan weggeslagen zien worden. Die hun reden om te leven uitgeveegd zien worden. Als het hele bestaan van de mensheid ineens, op zijn minst, discutabel geworden is, dan zit er iets goed fout. Aangezien ik zie dat mijn ontkenning van het bestaan van DE Waarheid leidt tot een tegenspraak, moet ik concluderen dat DE Waarheid wèl bestaat.
        Ter verdere ondersteuning van dit bewijs zou ik nog het volgende in overpeinsing willen geven : Als DE Waarheid niet zou bestaan, dan zou dat DE Waarheid zijn, en bestaat DE Waarheid wel. Dit lijkt verdacht veel op de paradox van Russell, een groot wiskundige aan 't begin van deze eeuw : Een barbier in een dorpje heeft een uithangbord waarop staat : Ik scheer alle mannen in het dorp, en alleen die, die zichzelf niet scheren. Scheert die barbier zich nu wel of niet? Als de barbier zichzelf niet scheert, dan scheert hij zichzelf, maar als hij zichzelf scheert, dan scheert hij zichzelf niet. Ter geruststelling kan ik U mededelen dat dit een tegenstelling in de gehele verzamelingenleer is, waar men al zo'n eeuw mee bezig is, en waar men niet omheen komt, dus weest gerust!
        Enfin, rest mij het tweede gedeelte van mijn stelling nog, namelijk dat deze zojuist gevonden Waarheid niet uniek is. Wel, zult U zeggen, DE Waarheid, dat is slechts één Waarheid. En daarom is zij per definitie uniek. Ik zal pogen dit te weerleggen. Zojuist had ik het over Waarheid als een geheel aan openbaringen uit het leven. Stel dat de Japanse steenhouwer DE Waarheid zou vinden. Zou ik hem dan nog kunnen vinden, en U? Wij hebben immers niet de wijsheid die de steenhouwer heeft gevonden in zijn 6 wensen. Wel hebben we eraan geproefd, maar bezitten doen wij zijn wijsheid niet. Kunnen wij dan ooit nog DE Waarheid bereiken, of zullen al onze toekomstige speurtochten bij voorbaat reeds gedoemd zijn te mislukken?
        Een ander voorbeeld : Laat ik twee historische figuren nemen waar een hoop mensen het erover eens zijn dat zij DE Waarheid gevonden hadden, zoniet er zeer dicht bij waren : Boeddha en Jezus. Beiden leefden zij in een heel andere tijdsperiode, en een heel ander werelddeel. Zij kunnen dus onmogelijk elkaars openbaringen gedeeld hebben. Het feit dat de Joden Jezus niet zien als iemand die DE Waarheid gevonden heeft of bezit, toont al aan dat de entiteit Waarheid voor eenieder er heel verschillend uitziet. Maar DE Waarheid ligt verscholen in de diversiteit van de manieren waarop mensen DE Waarheid interpreteren. Dat het uiteindelijk op één ding neerkomt. En dat noem ik DE Waarheid.
DE Waarheid bestaat, maar zij is beslist niet uniek!

        Heren...zal ik wijsheid vinden? Ik denk dat ik na vanavond met een volmondig 'JA' zal kunnen volstaan. Maar of ik de rand van het adelaarsnest heb kunnen beroeren? Dat zal de toekomst, mijn queeste naar De Waarheid, uitwijzen!
Top

Over middelpuntzoekende harmonie, en de kunst van het oorlogvoeren

Geachte heren van het Edel Heren Dispuut Mezekouw,

        Het is mij een waar genoegen hier vanavond tot U te mogen spreken. Laat ik maar meteen met de deur in huis vallen, en mij afvragen hoe ik het adelaarsnest het best kan bestormen... Een tunnel graven, zoals recentelijk in Peru, dat zal hier helaas niet gaan, en bovendien staat CNN niet op de stoep. Dus moet ik het anders aanpakken. Laat ik eens een geheel andere levensvisie in de strijd gaan werpen. Anders...anders dan wat? Anders dan het volgende :
        Het Westerse wereldbeeld is er een van 2 werelden. Het werkelijke, het duurzame, het scheppende, de ziel tegenover verschijnselen, het voorbijgaande, het lichaam. De ziel heeft toegang tot deze eerstgenoemde, primaire wereld door middel van rede en openbaring. Deze primaire wereld zorgt voor zowel natuurlijke als morele orde in de chaos; is de bron, het scheppend principe, voor de secundaire wereld. De Westerling worstelt in zijn denken altijd met deze dualiteit.
        Hier tegenover staat een ander wereldbeeld, uit een ander werelddeel. Een 'deze-wereld'-visie. Wij staan met zijn allen hier in deze ene, concrete, continue wereld. Deze wereld is de bron van al onze ervaringen. De orde is hier immanent - in de dingen zelf - aanwezig, als de nerven in een blad. Orde begint met unieke details, verrijst uit de samenvoeging en harmonie van deze details. Er is dus geen onafhankelijke bron waar de wereld haar orde aan ontleent, deze ligt in die wereld zelf. De wereld is zodoende haar eigen directe oorzaak. Dynamisch, zelfgenererend en zelforganiserend. Levend. Zodoende bestaat er een fundamentele continuïteit tussen het menselijke en het natuurlijke patroon en kunnen daarom alle voorwaarden, menselijke en andere, die een bepaalde situatie, zoals bijvoorbeeld een veldslag bepalen, helder in beeld gebracht worden.

        Het was tegen dit decor, dit klassiek Chinees wereldbeeld, zo'n 2500 jaar geleden, dat filosofen rondtrokken door de diverse centrale staten van China en hun adviezen en diensten aanboden aan de oorlogvoerende, heersende families. Onder hen bevonden zich ook militaire specialisten van een nieuwe generatie, geschoold in concrete tactieken en strategieën van effectieve oorlogvoering. Een van die specialisten is in de analen bewaard gebleven tot op de dag van vandaag. Sun Wu was zijn naam. Beter bekend als Meester Sun uit de provincie Wu, oftewel Sun-Tzu. Hij was het die zich vereeuwigde met zijn militaire verhandeling 'Sun-Tzu : De kunst van het oorlogvoeren'. Er wordt beweerd dat in de nog recente Golf-oorlog dit werk aan beide zijden bestudeerd werd. Ook blijkt het met succes gebruikt te worden in een ander soort van oorlogvoeren, het zakendoen, iets waar Sun-Tzu 2½ duizend jaar geen flauw vermoeden van kon hebben.
        Maar wat is nu de link tussen oorlogvoeren en filosofie? Bestaat die link wel? Ik zou zeggen 'Jazeker!'. Ware het alleen al niet om het feit dat oorlogvoeren met leven en dood te maken heeft. Maar laat ik mij vooralsnog leiden door de Sun-Tzu. Hier past nog een uitbreiding van de eerdergenoemde 'deze-wereld'-visie bij. In de door de wereld zelf onstane orde is de mens het middelpunt van een groot netwerk, een patroon van rollen en relaties. Elk mens vormt een middelpunt, autoriteit wordt gevestigd als andere middelpunten binnen een omvattend middelpunt geplaatst worden, en daarbinnen respectvol worden onderscheiden. Deze autoriteit fungeert als een middelpuntzoekend, evenwichtig centrum, en berust bij een rol, omvang, kwaliteit en een culturele traditie. Zolang het centrum van centripetale harmonie krachtig genoeg is om het eerbetoon van de omringende invloedssferen te krijgen, behoudt het zijn autoriteit. Zoniet, dan valt het geheid uit elkaar. Als een kogelslingeraar die zijn kogel niet meer vast kan houden.
        Er bestaat dus als het ware een soort van 'recht op rebellie', dat toegepast wordt op het moment dat de heerser zijn mandaat verbeurd door de sociale orde niet adequaat te handhaven. Immers, de orde in de wereld wordt gegenereerd door die wereld zelf. Als er chaos dreigt te onstaat heeft iedereen het recht en de plicht deze orde te herstellen. Hieraan onlosmakelijk verbonden is dus dat zij die militair ingrijpen noodzakelijk achten, hun argumenten baseren op de noodzaak van zo'n actie om de gezamelijk gedeelde wereldorde te herstellen. Menigmaal kwam het in het oude China voor dat een centrale autoriteit oorlog voerde aan de grenzen waartot haar centripetale middelpunt kracht uitoefende om vast te stellen wat binnen en wat buiten die cirkel lag. De filosofie achter het oorlogvoeren is dus dat het een poging is de sociaal-politieke orde te herstellen.
        In dit oorlogvoeren komen een aantal punten naar voren, die Sun-Tzu behandeld in zijn 'Kunst van het oorlogvoeren'. Sleutelbegrip is in dit geval 'Shih', vertaald als 'Strategisch voordeel'. Shih begint bij de erkenning dat oorlogvoeren voortvloeit uit een geheel aan unieke natuurlijke, sociale en politieke voorwaarden. En hoewel er bewegingen en veranderingen in deze voorwaarden zitten, zit er toch een bepaald patroon in dat niet alleen te voorzien is, maar dat ook in ons voordeel gebruikt kan worden. Strategisch voordeel. Het feit dat onze buitenste cirkel ons onderscheidt van onze vijand, verenigd ons tegelijkertijd met hem, waardoor elke verandering wederkerig is, en alom tegenwoordig. Als hij beweegt, worden wij daardoor bewogen. En belangrijker, als wij bewegen, beweegt hij ook. Dit wordt het continuïteitsbeginsel genoemd. In de kosmos is verandering altijd een beweging in een continuüm tussen tegengestelde polen, tussen yin en yang. Merk het verschil op met de eerder beschreven dualistische Westerse wereld. Tegengestelde polen als yin en yang zijn afhankelijk van elkaar. Iemand uit de primaire wereld, een Schepper, is onafhankelijk van hetgeen hij schept. Citaat van Sun-Tzu :
                '...In het patroon van hemel en aarde : wanneer iets zijn  uiterste grens bereikt heeft, keert het terug; wanneer iets  tot volle wasdom is gekomen, raakt het in verval, zoals bij  de fasen van de maan, en de vier jaargetijden. Bloei en  verval volgen elkaar op...'
        Deze tegengestelde principes liggen aan de grondslag van Shih, het strategisch voordeel. Orde kan verkregen worden uit wanorde, moed kan ontstaan uit angst, grootheid uit kleinheid, de overwinning uit de nederlaag. Sun-Tzu voegt hieraan toe :
                 '...De verbinding tussen wanorde en orde ligt in de  logistiek; tussen lafheid en moed in strategisch voordeel  (Shih); en tussen zwakte en kracht in strategische  opstelling...'
Sun-tzu doorzag dat alle gebeurtenissen een te onderscheiden vorm of rangschikking hebben, dat daar een naam aan gegeven kan worden. En alle dingen waaraan een naam gegeven kan worden, kunnen worden overwonnen. Hij heeft dit dan ook militair toegepast toegevoegd in zijn werk. Uitgangspunt is dat elke situatie een antwoord kent dat uitweg biedt. Welke, dat is afhankelijk van de aanwezige voorwaarden. De situatie moet op zijn merites beoordeeld worden, want elke situatie is uniek, en plaatsbepalend. Een belangrijke stelregel die hieruit voortvloeit is de volgende, wederom citaat uit Sun-Tzu, met de noot dat deze ook buiten zijn gebied van toepassing is : '...Op het gebied van oorlog is er geen enkel onveranderlijk strategisch voordeel (shih) waarop te allen tijde kan worden vertrouwd...' De onbedwingbaarheid van de verandering zelf is een diepgaand inzicht dat men nodig heeft bij militaire aangelegenheden, en zodoende ook bij andere situaties in een sociale orde, zoals die bijvoorbeeld hier vanavond heerst. Zekerheid moet niet gezocht worden in een statische stelling, maar in het steeds weer herzien en heroverwegen van de eigen kracht door onmiddelijk, maar onaangekondigd te reageren op de veranderende positie van de vijand.
        Sun-Tzu handelt over oorlogvoeren. Alvorens oorlogvoeren te vergelijken met het leven, moet natuurlijk het volgende komen. U zult zich inmiddels wel afvragen, waar blijft het?!? Nou, hier komt het : Oorlog is iets puur slechts. Oorlog is een laatste redmiddel, een noodzakelijk kwaad als alle andere middelen niet meer mogen baten. Ik hoop, en vertrouw er in ieder geval op, dat verweg de meeste mensen deze mening met mij delen. Maar hoe zit het met Sun-Tzu en zijn tijdgenoten, die in een ietwat barbaarser tijdperk leefden dan wij nu? Wel, ik kan U verzekeren dat zowel Sun-Tzu als zijn literaire nazaat een grondige afkeer van oorlog gemeen hebben met ons. De teksten zijn doorspekt hiervan. Om er enkele citaten uit te nemen :
                '...Als men zich niet volledig bewust is van het kwaad van  oorlogvoeren, dan kan men zich evenmin bewust zijn van de  manier waarop die oolog ten goede kan worden gekeerd...',
                en '...een afkeer van oorlog is het allerbelangrijkste  principe van de Ware Koning...',
                en '...100 overwinnigen behalen in 100 gevechten is niet de  hoogste voortreffelijkheid; de hoogste voortreffelijkheid is  het leger van de vijand bedwingen zonder te vechten...'

        Een ander fundamenteel punt waar de Sun-Tzu zich mee bezighoudt is dat van de voorbeeldige bevelhebber. In het kort komt het er op neer dat de eerste en belangrijkste eigenschap van de perfecte militaire bevelhebber is dat hij een voorbeeldig persoon moet zijn, en dat zijn militaire vaardigheden gedragen worden door zijn superieure karakter. Dat karakter wordt vervolgens beschreven met woorden over deugd als wijsheid, integriteit, menselijkheid, moed en discipline. Met deze deugden werkt de commandant aan een optimale harmonie binnen de cirkel waar hij het middelpunt van is.
        Laatste punt is de voorkennis, de 'wijsheid' die de commandant moet hebben alvorens de situatie goed te kunnen interpreteren. De juiste informatie moet het minieme verschil tussen de ene en de andere situatie blootleggen. Want, immers, het unieke van iedere situatie maakt veralgemening twijfelachtig en dwingt de commandant elke situatie op zich te bekijken. Met de juiste informatie, kan de commandant door middel van zorgvuldig overwegen en plannen de vijand verslaan in plaats van met militaire slagkracht.'...de beste militaire politiek is het aanvallen van strategieën...' aldus Sun-Tzu.
        Ik heb nu een middelzoekende harmonie beschreven die de link legt tussen filosofie en oorlogvoeren. Het aftasten van de eigen buitengrens, dat doet iedereen eigenlijk op elk moment. Waar sta ik in dit complex netwerk van mensen rondom mij heen? Het feit dat mensen om mij heen staan wil niet zeggen dat ik het middelpunt ben. Kijk maar eens wat voor een schromelijke fout de kerk maakte met de veroordeling van Gallilei. Waar is het dichtstbezijnste middelpunt om mij heen, en hoe verhoudt dat zich tot andere middelpunten? Vervolgens beschreef ik hoe die grenzen door een middelpuntcreërende autoriteit afgetast, of zelfs beschermd worden. Namelijk, door middel van oorlogvoeren. In de meeste gevallen zal het om aftasten gaan, en daarvoor is oorlogvoeren natuurlijk een groot woord. Maar desalniettemin is het ook bij speldeprikjes van belang om het strategisch voordeel te kennen, te beseffen dat deze aan verandering onderhevig is, en niet statisch.
        Laten wij ervoor waken deze altijd dynamische continuïteit in ogenschouw te nemen. Het eerder genoemde leven en dood passen in dit plaatje van het vergankelijke en het regenererende van de continue kosmos. Wees de wijze commandant door ervoor te zorgen dat de juiste informatie binnenkomt om de voorwaarden, het strategisch voordeel, te kennen. Aanvaardt het continuüm, en vindt daarin zekerheid. Verzet U niet tegen het ritme van de verandering, maar door de hartslag ervan te ontdekken, kunnen de voorwaarden zodanig vertaald worden dat de harmonie hersteld kan worden, en U de voorbeeldige commandant kunt zijn. De voorbeeldige persoon is geen functionaris. De voorbeeldige persoon streeft naar harmonie.
Top

Inauguratie

Meneer Cohen, waarde heren van het Edel Heren Dispuut Mezekouw.

        Graag zou ik U even een stukje mee in de tijd terug willen nemen. Om iets precieser te zijn, een jaartje geleden. Wat ik toen ook precies deed op dat moment; of ik nog over de heide liep rond te rennen, over de Grand Canyon vloog, of voor de TV naar de Olympische Spelen zat te kijken...er was in ieder geval iets in mijn hoofd ontsprongen dat mijn leven een heel andere wending zou gaan geven.
        Een jaar later. Inderdaad, m'n leven had een totaal andere wending aangenomen. Had ik gedacht dat ik na een nieuwe, verse start in Maastricht op 1 dag maar liefst twee mijlpalen zou bereiken? Ik deed mijn rugzak af, en ging op de ANWB paddestoel naast de twee mijlpalen zitten. De eerste paal, een propadeuse Kennistechnologie. De tweede, het lidmaatschap van Mezekouw. Die eerste mijlpaal is er een om niet te lang bij stil te bljven staan. Immers, bij het allereerste tentamen van het volgend jaar, zal hij al weer mijlenver achter me liggen. Maar die tweede...
        Die mijlpaal is de eindstreep van mijn candidatustijd. Terugkijkend op het afgelopen half jaar, overpeins ik die periode. Een exacte analyse van mijn candidatustijd maken, dat heeft niet zo veel zin. Maar een ding waar het in ieder geval om gaat bij het volgen en volbrengen van een candidatustijd, is het juiste gevoel krijgen. Een gevoel dat je zelf langzaam, bij elke dispuutsavond weer, een stukje aankweekt. En naast gevoel, verschaft elke dispuutsavond weer nieuwe stof tot nadenken. En samen met gedachten daarover, ontstijg je langzaam een niveau. Als het ware een soort van uitbreiding van je centripetale harmonie. Het maakt je anders, completer, verschaft inzicht.
        Met nieuw inzicht, en verlichting op zak begint een nieuw leven. Alles is anders : De candidatustijd als een geboorte, een
nieuw soort levenslicht zien. Was ik eerst  wellicht blind, beperkt binnen mijn eigen wereldje tot dan toe? Zag ik eerst niet een donkere schaduw van een object tegen een muur, en dacht ik niet dat die schaduw dat object zelf was? Zeker wel. Met Mezekouw heb ik als het ware een sleutel gevonden die deuren opent die gesloten waren. Was de man in Plato's grot niet bij machte om op onderzoek uit te gaan, ìk kan nu als het ware mijn troebel beeld verscherpen en proberen te doorgronden, voordat ik weer terug kruip in mijn grot, naar de trivialiteit van alledag.
        Het wordt tijd om verder te gaan. Ik hang mijn rugzak weer om mijn schouders en trek de banden strak aan, ik heb nog een lange weg te gaan. Alvorens ik verder loop werp ik nog een laatste blik op die tweede paal. En besef dan wat ik passeer : Waarlijk, een duizendmijlpaal!
Top

Ons brein is te klein voor deze complexe wereld

Waarde leden van Circumflex, en in het bijzonder de nieuwe eerstejaarsleden: Welkom op deze salon!

         Ik neem U even een stukje mee terug in de tijd, toen Napoleon  Bonaporte de wiskundige Pierre-Simon de Laplace vroeg waar God nog te vinden was in zijn mechanistische wereld. Laplace geantwoorde: ‘Sire, je n’avais pas besoin de cette hypothèse’, ofwel: Sire, ik had geen behoefte aan die hypothese. Laplace gaat echter nog verder. Hij creëert zijn eigen demon: een superieure intelligentie die in staat is van alle deeltjes in het gehele universum de plaats en snelheid te berekenen, en beschikt over de nodige wetmatigheden en een onbeperkt rekenvermogen. Voor deze demon is verleden, heden en toekomst een open boek. Toen ik nog aan het nadenken was over het onderwerp van deze rede, wist die demon reeds dat ik deze zin zou opschrijven en uitspreken.
        Ook wij mensen willen graag voorspellen. Gedragingen met zeer bepaalde randvoorwaarden en universele situaties laten zich het makkelijkst in wetmatigheden transformeren. Zo is daar het succesverhaal van de natuurkunde. Wat is het verschil tussen een steen die van een toren naar beneden wordt gegooid, en een kanon dat onder een bepaalde hoek een kogel afschiet, als men de plaats van de steen en de kogel op een zeker moment wil bepalen? Eind zestiende, begin zeventiende eeuw stelt Galilei zijn valwet op, en combineert deze twee situaties. Kogel en steen hebben dan wel verschillende randvoorwaarden (een beginsnelheid in horizontale en verticale richting), beiden zijn echter onder invloed van de zwaartekracht. Rond dezelfde tijd komt Kepler met zijn drie planetaire wetten. Waren de wetten van Kepler alleen van toepassing op planeten, en niet op vallende stenen, de gravitatietheorie van Newton omvat beiden. Hij was het die de grotere samenhang zag. Het ronddraaien van een planeet rond de zon komt op hetzelfde neer als het afschieten van een kogel. Na Newton komt verfijning en uitwerking, uitmondend in briljante voorspellingen als het bestaan van de planeten Uranus, Neptunus en Pluto, lang voor hun ontdekking. Voorlopig tot slot spant Albert Einstein de kroon met zijn algemene relativiteitstheorie.
        We zien hier dat bij vereenvoudiging van wetmatigheden in feite de randvoorwaarden gegeneraliseerd worden. De wetmatigheid is immers op meerdere situaties toepasbaar met veel –schijnbaar– verschillende randvoorwaarden. Welnu, hoever kunnen we daarmee doorgaan? Uiteindelijk zouden we uit kunnen en willen komen op één wetmatigheid, één fundamenteel principe. De wet die alle andere wetten impliceert. Zo hier en daar in de geschiedenis heeft men gedacht dit principe aller principes gevonden te hebben. Eén van die principes is het principe van de kleinste actie. Indien er verschillende mogelijkheden zijn, kiest de natuur de weg van de minste weerstand. Ofwel : De natuur is fundamenteel lui. Een steen valt verticaal naar beneden en doet niet aan luchtacrobatiek, want dat kost meer energie. In het beste geval, maar lang niet altijd, zal er precies één geval het zuinigst zijn. Dat betekent dus, dat op het moment dat we van alles precies weten waar het zich bevindt, er precies één mogelijk verloop is, namelijk het zuinigste verloop. Vertel mij waar de aarde zich op dit moment bevindt, en ik vertel u waar zij morgen, volgende of vorige week, of over een decennium zal staan.
        Maar, hoe kennen wij onze wereld echter? Past die wereld in ons brein? Zoals elke diersoort probeert ook de mens te overleven. Bij elke handeling die wij verrichten moeten wij in meer of mindere mate rekening houden met een dodelijke finale. Stel nou eens dat wij in staat waren te voorspellen dat het naderende einde in bepaalde situaties nabij is. Dat de informatie die binnenkomt zodanig geanalyseerd wordt dat alle randvoorwaarden bekend zijn. Zouden wij dan misschien niet een stuk rustiger, en wellicht gelukkiger zijn? Maar…zo zit de natuur niet in elkaar. Die volgt heel andere regels. Wij mensen zijn uitgerust met een brein dat een te kleine capaciteit heeft voor de wereld waar wij ons in bevinden. Ok, we zijn voortdurend alert, maar in het algemeen is de capaciteit benedenmaats. Weliswaar zijn we in bepaalde dingen wel goed. Neem bijvoorbeeld de herkenning van personen en gezichten. U kijkt hier naar mij vanuit een bepaalde hoek. Als ik mij beweeg, waardoor die hoek verandert, blijft u mij herkennen. Binnen de kennistechnologie is men daar bijvoorbeeld mee bezig, en ik kan u vertellen: we komen nog niet in de buurt om computers gezichten te laten herkennen in een 3-dimensionale wereld. Maar als het aankomt op het nemen van een bewuste beslissing onder druk, dan zijn wij daar heel slecht in, en leidt dit tot doodsimpele paniek. Achteraf schitteren we in het bedenken van verklaringen. Een te klein, traag brein in een te complexe wereld. Dus, wat doen we? We passen de wereld aan ons brein aan. We bouwen ons als het ware een model van de wereld, een representatie, aangepast aan ons brein. In de praktijk betekent dit dat we selecteren in de aangeboden informatie, we nemen niet alles op. We delen de wereld in in wat belangrijk, hoofdzaak, essentieel, cruciaal is aan de ene kant, en wat onbelangrijk, detail, bijkomstig, toevallig is aan de andere kant.
         Wat is nu echter essentieel en wat is bijkomstig? Hoe selecteren wij, mensen, op de ons aangeboden informatie? Wat behoort tot de voorgrond, en wat is ruis, achtergrond? Behalve de mens in de alledaagse praktijk, houdt ook de wetenschap zich daar mee bezig. Zo is er de wetenschaplijke methode, voortkomend uit onder ander de experimentele methode van Galilei. De complexe wereld wordt vereenvoudigd zodat het menselijk brein het aankan, resulterend bijvoorbeeld in de al eerder genoemde algemene relativiteitstheorie van Einstein. Maximaal generaliserend tot nu toe. Aan de andere kant is daar de magie. Ook de magie probeert een antwoord te geven op hetzelfde probleem: Hoe moeten wij omgaan met een te complexe wereld? Magie was er eerst; de alchemie, de astrologie en de kwakzalverij. Daarna onstond wetenschap; de scheikunde, de astronomie en de geneeskunde. Magie was de voedingsbodem waaruit thans zo’n wonder als de wetenschap is ontstaan.
        Aan de ene kant beoogt wetenschap dus een generalisering van onze wereld, zodat ons menselijk brein die wereld kan bevatten. Aan de andere kant streeft zij echter ook naar die ene universele wet die alles bepaalt. Alhoewel, ik denk dat ik kan stellen dat dit streven voorlopig op een zijspoor gerangeerd is. De waarheid en niets dan de waarheid is voor ons niet weggelegd. Met de huidige moderne wetenschap hebben we hoogstens toegang tot een deel van die waarheid. Intussen gaat de mens in zijn leven verder met het toepassen van mechanismen waarmee hij de wereld kan modelleren, die hem voorspellingen kunnen laten doen.
        Van bepaalde zaken weten wij op grond van hun uiterlijk voorkomen hoe zij zich zullen gedragen. Van mensen kunnen we dat echter niet zeggen. Dat de complete vreemdeling die tegenover ons zit reeds een bekende is, omdat we weten waar hij geplaatst moet worden. Toch heeft de mens een instrument ontwikkeld om dat wel te doen: het stereotype. Een stereotype is zowel een samenvatting van de betreffende objecten als van dezelfde aard als de objecten in kwestie. Met dit standaardbeeld in de hand moeten wij voortdurend beslissen of een object tot dit beeld behoort. Echter, er zal nooit sprake zijn van een perfecte gelijkenis, en daarom moeten we overstappen naar een mildere vorm:  de analogie. Zo is er bijvoorbeeld de zonnekoning, die als een zon is waar alle andere mensen omheen bewegen, aangetrokken door dit ene unieke punt. Een prachtige analogie, maar vraag niet of mensen er in ellipsbanen omheen bewegen, en of de aantrekkingskracht van die koning evenredig is met de afstand in het kwadraat. Zo schept de mens een analogie, die eigenlijk ‘net-niet’ is. Tevens zijn analogieën niet kieskeurig wat betreft het onderwerp. Bijvoorbeeld : de harmonie in de muziek is triviaal, de harmonie der sferen doet u toch even achter de oren krabben, om over de harmonie in ons eigen lichaam maar niet te spreken. Maar toch, driemaal harmonie: musica instrumentalis, musica mundana en musica humana. Kijk, of luister naar jezelf, en je hoort de wereld. Luister naar de wereld en je hoort jezelf.

        Ons brein is als het ware een gereduceerde kopie van de wereld en kan dus de wereld aan. Met woorden en gedachten kunnen wij controle uitoefenen op de wereld. Maar aangezien ons brein eigenlijk te klein is voor deze wereld gaat het dan ook nog al eens mis. Wij mensen kunnen begin- en randvoorwaarden wel tot het accidentele verklaren, maar willen wij voorspellen dan dienen wij deze toevalligheden met de grootst mogelijke precisie te kennen. Toeval belemmert ons om het leven te voorspellen, om totale controle uit te oefenen. Toch proberen wij deze controle binnen onze beperkingen wel zo ver mogelijk uit te laten strekken.
        Terugkomend op de demon van Laplace, met hem valt geen zinnig gesprek te voeren. Hij weet alles wat ik hem ga zeggen immers al, inclusief zijn eigen antwoorden. Zelfs al zou hij bestaan, vermijd hem. De uitsluiting van het toeval zal u bezuren. Bekijk de toekomst als was het tabula rasa, een onbeschreven blad, dat u zelf vult. Wellicht is de inhoud van dat blad reeds aan de demon bekend, maar u wilt en zult het niet weten. Niets is dat niet bedoeld was te zijn. Zeker ook de onwetendheid omtrent het toeval niet.

Top
 

Over de beweegredenen van de mens
 

Rede ter gelegenheid van het derde Quadriennium van het Edel Heren Dispuut Mezekouw, d.d. 24 februari 2000 in de Groote Sociëteit te Maastricht, ter gelegenheid van de Quadriennium Salon.
Jeroen Lanslots & Ewout van Wijk
 

I can’t see myself coming down defeated..

Ik kan me niet voorstellen, mijzelf verslagen terug te zien komen...
         George Mallory

Reeds driekwart eeuw is het volgende het enige wat met enige zekerheid gezegd kan worden:

Juist na zonsopgang op de morgen van 6 juni 1924, kropen twee leden van de British Everest Expedition, George Leigh Mallory en Andrew Comyn Irvine, uit hun simpele canvas tent op de Noord Col, een door de wind gegeselde, 7000 meter hoge rots van sneeuw, ijs en stenen tussen de kolossale massa van Mount Everest en zijn kleinere noordelijke piek, de Changtse, en namen de eerste stappen van wat een beklimming, recht in de geschiedenis zou worden.
De mannen zeiden weinig tegen elkaar. Daar was ook geen noodzaak toe. Ze wisten beiden dat de situatie kritiek was. Na een twee maanden durende voettocht vanuit India en een verblijf van meer dan een maand in het basiskamp had de expeditie al twee vruchteloze pogingen ondernomen een weg omhoog te vinden en daarmee de top van de hoogste berg op aarde te bereiken. Veel van hun helpers en metgezellen waren al te bang of te ziek om verder te klimmen en de voorraden voedsel en zuurstof raakten op.
Meest cruciaal was dat de tijd opraakte daar de stormen van het jaarlijkse Moessonseizoen op het punt stonden los te breken. Mallory was inmiddels achteraan in de dertig en deze derde poging van hem zou zijn laatste Himalaya-expeditie zijn. Als hij de eerste mens ter wereld wilde zijn die de top van de Mount Everest bereikte, als hij zijn droom werkelijkheid wilde maken, dan moest deze poging slagen.
Op deze veelbelovende ochtend hesen de twee mannen zich in hun primitieve klimuitrusting voor de uitvoering van het pact dat ze gesloten hadden met de berg: een pact, met als inzet hun leven. Op 8 juni, enkele dagen later, midden op de dag, worden ze voor het laatst waargenomen door een derde lid van de expeditie, Noel Odell, die, zoals hij later beschrijft, ‘...een zwart puntje tegen te berg ziet afsteken, dat beweegt. Vervolgens wordt ook een tweede punt zichtbaar, dat het eerste volgt.’ Het waren onmiskenbaar Mallory en Irvine, die zich hoog op de noordoostkam van de berg bevonden, enkele honderden verticale meters boven hem, en misschien wel enkele duizenden meters van hem verwijderd. Toen verdween het tafereel plotseling door een wolkenpartij uit het zicht. Dit was de laatste keer dat het tweetal levend gezien werd. Voor de levende wereld eindigde daar hun bestaan, maar een mysterie was geboren...

Geachte toehoorders! Na mijn inleiding is het gepast u nogmaals welkom te heten op deze speciale Salon. Na het officiële verhaal van onze Princeps is nu het moment aangebroken eens wat serieuzer met u van gedachten te wisselen, zoals dat een redenaar op een Salon met geïnteresseerde toehoorders betaamt. U bent hier niet alleen uit beleefdheid, u wilt ook vermaakt worden. Gelooft u mij, dames en heren, retorica kan ook erg opwindend zijn. Het kan dan ook geen toeval zijn dat het anagram van Retorica “Erotica” is.
Zojuist heb ik u deelgenoot gemaakt van een moment waarop geschiedenis geschreven werd, waarop een mysterie ontstond en waarop een legende geboren werd. En, mijne dames en heren, zoals het met alle helden in legendes hoort af te lopen: ook deze bergbeklimmers zijn dood!
Deze conclusie ligt voor de hand. Immers, in deze Zone des Doods - het gebied in de bergen van boven de 8000 meter - houdt niemand het langer dan een paar dagen uit. Elke minuut, elke seconde, dat men daar verblijft, sterft men langzaam een beetje. Zeker als u zich realiseert dat u, als u straks naar buiten loopt, waarschijnlijk beter gekleed bent dan Mallory & Irvine destijds, driekwart eeuw geleden.
U vraagt zich wellicht af wat zij daar in hemelsnaam deden. Dát antwoord is eenvoudig: de berg bedwingen. Veel interessanter is de vraag waaróm ze dat deden. Waarom wilden zij Mount Everest beklimmen? ‘...But why, some say, the moon? Why choose this as our goal? And they may well ask: why climb the highest mountain? Why, 35 years ago, fly the Atlantic? We choose to go to the moon...’. John F. Kennedy. En waarom wilden Scott en Amundsen de Zuidpool bereiken? Scott kwam om nadat hij veslagen op de Zuidpool aankwam, Amundsen later ook, op de Noordpool. Waarom, ...waarom? Waarom is een mens bereid zijn leven op het spel te zetten om het schier onmogelijke te bereiken?

Een analyse van de menselijke natuur is, zoals zo vaak, onmisbaar voor het vinden van een antwoord op deze vraag.

De eerste stap op weg naar de verklaring ligt bij de eerste onzekere stappen van uw voorouders. Hoewel sommige van uw familieleden lijken te zijn blijven steken in de evolutie, kwam de overgrote meerderheid ooit toch uit zijn warme, veilige grot. De holbewoner tartte bewust het gevaar gewond of gedood te worden, om te ontdekken wat er achter de volgende boom, en later, achter de volgende heuvel en, nog later, achter de horizon lag. Waarom waren uw voorouders bereid hun leven, en dus uw toekomst, op het spel te zetten om het in deze situatie schier onmogelijke te bereiken? De grot waarin zij woonden was warm en veilig, en voedsel konden ze ook dichter bij huis vinden. Ze verlieten hun grot puur vanwege een onbedwingbare nieuwsgierigheid. Ze maakten hun drang om te overleven ondergeschikt aan de verkenning van hun wereld. Ze sloten een pact met de natuur. Een pact met als inzet hun leven. Onbedwingbare nieuwsgierigheid kan gezien worden als de eerste reden waarom de mens zich bewust in voor hem gevaarlijke situaties plaatst. Christoffer Columbus, Abel Tasman en James Cook waren allen mensen die zich bewust in gevaarlijke situaties brachten om hun nieuwsgierigheid te stillen. Met hen liep het nog betrekkelijk goed af. Willem Barentz was al niet zo gelukkig. Hij was genoodzaakt te overwinteren op Nova Zembla en overleed op de terugreis, aan scheurbuik. Dit risico was simpelweg een van de parameters van zijn reis. Anders gezegd: hij was er zich van te voren van bewust dat dit zou kunnen gebeuren en accepteerde dit risico bij zijn volle bewustzijn. Blijkbaar was zijn nieuwsgierigheid sterk genoeg om zijn levensgevaar op de achtergrond te plaatsen. Wat leverden deze reizen op? Kennis, kennis van het onbekende. Dit vooruitzicht is voor de mens altijd al voldoende geweest zijn eigen leven te riskeren. Deze kennis maakt niet alleen de persoon zelf wijzer, hij draagt deze kennis ook over aan zijn omgeving, leefgemeenschap en soms zelfs de hele wereld. Deze nieuwsgierigheid, dus het vergaren van deze kennis, kan hier dan ook gezien worden als een nobel doel en kan de roekeloze avonturier tot een volksheld maken. Nieuwsgierigheid, die uitmondt in heroïek. Dit is de eerste verklaring voor het hier boven beschreven gedrag.

De volgende stap in de bepaling wat mensen beweegt tot risicovol gedrag ligt besloten in de ambitie van de mens. De mens heeft de ambitie om de grenzen van zijn eigen mogelijkheden op te zoeken, te overschrijden en, daarmee, te verleggen. John F. Kennedy zag het als een test van eigen kunnen. Hij zei in 1962, nota bene in Texas: ‘...Wij kiezen ervoor om nog in dit decennium naar de maan te gaan, niet omdat het makkelijk is, maar juist omdat het moeilijk is, omdat dat doel ons in staat stelt om onze beste eigenschappen te meten en te organiseren, omdat die uitdaging er een is die we willen aannemen, een die we niet langer willen uitstellen, en een die we van plan zijn te volbrengen...’. Naast al deze nobele redenen was er nog een. De Koude Oorlog was inmiddels hoog opgelaaid, en de ‘race to the moon’ was nu inzet geworden van een fijn politiek steekspel. Hoewel dit niet genoemd werd, sluit het wel haarfijn aan op de woorden van Kennedy. Immers, dit was competitiedrang op het allerhoogste niveau, tussen twee landen die feitelijk in oorlog waren. De oorlog kon echter niet op het slagveld uitgevochten worden, en zodoende kon men zichzelf en de tegenstander niet meten. Wat was nu - afgezien van een echte veldslag - een betere absolute test dan de race om de eerste man op de maan?
Deze tweede stap gaat dus voorbij aan de nieuwsgierigheid van de mens. Natuurlijk is de mens benieuwd hoe het er op de maan uit zou zien, maar deze drijfveer wordt overtroffen door de ambitie dit moeilijke doel te halen. Het is dus niet zozeer een kwestie van het verbreden van de horizon, maar het verleggen van de eigen grenzen, van de eigen mogelijkheden. Daarmee stijgt deze tweede stap, de persoonlijke test, dus uit boven de eerste stap, de interesse in het gaan waar men nog niet geweest is.

De derde stap begint op het moment waar mensen een bepaalde beleving ervaren bij het uitvoeren van hun ultieme test. Doel is niet zozeer het bereiken van het einddoel, doel is juist de reis zelf. Het beklimmen van een berg bestaat niet alleen uit de laatste stap naar de top, neen, het behalen van die top begint met de allereerste stap. Wij noemen de hoogste berg op aarde ‘Everest’, naar een Britse Gouverneur uit 1850 van Brits-Indië. Het is echter veel interessanter om te horen dat de Tibetanen en de Nepalezen deze berg allang een naam gegeven hadden, zonder dat ze eigenlijk al precies wisten dat dit de hoogste berg ter wereld was. Dat sprak kennelijk al voor zich. In het Tibetaans noemden zij hem ‘Chomolungma’, wat zoveel betekent als ‘Moedergodin van de aarde’. De Nepalezen spreken van Sagarmatha, ofwel ‘Godin van de hemels’. Deze namen ontlopen elkaar niet zoveel. Dit is opmerkelijk indien men zich realiseert dat Tibet van Nepal gescheiden is door een bergketen van acht kilometer hoog en vele honderden kilometers lang! Blijkbaar had dezelfde berg in twee verschillende volkeren dezelfde spirituele of religieuze rol. Een beklimming van deze berg betekent dus niet zozeer het bevredigen van nieuwsgierigheid, of het verleggen van de eigen grenzen, maar het ondergaan van een spirituele beleving. Deze beleving begint bij de eerste stap en bereikt een cumulatief hoogtepunt bij het bereiken van de top. Op het moment dat u de top betreedt, stapt u binnen in het paleis van de ‘Moedergodin van de aarde’, of, mocht u van Nepalese bloede zijn, van de ‘Godin van de hemels’. Deze metafoor voor de gevoelens van de mens die met deze beleving de top heeft bereikt, kan op meerlei wijze uitgelegd worden. Wat dit paleis dan voor u als individu inhoudt, dat is voor iedereen verschillend. Er zijn echter wel een aantal voorbeelden te noemen. Gedacht moet worden aan het bereiken van een innerlijke rust, of een bepaalde innerlijke vrede. Anderen vinden verlichting. De beklimming eindigt dan zodra de geest van de klimmer verlicht is. Het Boeddhisme is hier grotendeels op gebaseerd. De Boeddhist probeert een steeds hoger niveau van verlichting te bereiken. Wat deze verlichting inhoudt is voorbehouden aan het individu zelf. Hij moet zelf die beleving ondergaan om te kunnen ervaren wat deze inhoudt. Het is helemaal niet zo onlogisch dat de mens hoge bergen ziet als plaatsen waar de goden huizen. Laat ik u meenemen naar de bakermat van onze eigen beschaving, de Griekse oudheid. Toen was de berg Olympus de woonplaats van goden als Zeus, Hera en Athena, vanwaar zij heersten over de gewone man in de straat zoals de groenteman, de slager, Plato en Socrates. De top van de berg was aldus het heiligdom van de goden. Het beklimmen van deze berg doet men dus niet zozeer uit nieuwsgierigheid of - iets sterker - het verkennen en meten van persoonlijke vermogens. Sterker nog, deze redenen verbleken bij het hogere doel van het bereiken van de goden. Deze metafoor geeft de geestestoestand weer van iemand die uit spirituele beweging een reis naar de top van een hoge berg onderneemt. Deze beweegreden om het risico op te zoeken vormt aldus de derde stap.

Geacht auditorium. Tot nu toe heb ik een hiërarchie geschapen in de beweegredenen die de mens heeft om zich doelbewust in een gevaarlijke situatie te plaatsen. Als eerste heb ik gesproken over de nieuwsgierigheid van de mens, die zijn horizon wil verkennen. Mijns inziens wordt deze reden vervolgens overschaduwd door de ambitie van de mens, die zichzelf tot het uiterste toe wil testen. Tenslotte heb ik het einddoel van zo’n test ondergeschikt gemaakt aan de test zelf; de mens ondergaat een spirituele beleving in zijn test die meer waard is dan de uitkomst van die test zelf.
Blijft over, een sprong in het diepe. Een Mezekouwer zou geen Mezekouwer zijn als hij niet nog een stap verder durfde te gaan: ‘To go where no mortal has gone before!’. De centrale vraag was: Waarom is een mens bereid zijn leven op het spel te zetten om het schier onmogelijke te bereiken? Omdat hij nieuwsgierig is. Waarom is de mens nieuwsgierig genoeg om zijn leven op het spel te zetten? Omdat hij ambitieus is. Waarom is hij ambitieus genoeg om zijn leven te riskeren? Omdat hij op zoek is naar het huis van de goden. Maar… waarom is hij dan op zoek naar het huis van goden? Is er dan misschien nog een vierde stap? Ik denk van wel. De vierde stap is dat de mens zelf god wil worden.
De Griekse halfgod Hercules speelde zijn hele leven een heldenrol, maar was zich zijn hele leven ook bewust van het feit dat hij slechts een halfgod was. Heel zijn leven moest hij zich bewijzen. Om wat? Waarom moest hij 12 van de meest moeilijke opdrachten vervullen? Om te kunnen voldoen aan de maatstaven van de goden en zodoende zelf god te worden. Het enige wat Hercules meer dan al het andere wilde, was op de berg Olympus wonen, samen met de andere goden. Wat is het doel aldus van iemand die het huis van de goden beklimt en binnentreedt? Deze persoon wil daar wonen, en nog sterker: hij wil zelf god worden. Hiermee bereikt deze persoon de ultieme waarheid, de complete verlichting, die uitstijgt boven al het aardse, boven alle mensen, boven de gehele wereld. Hercules was zeker niet de laatste die deze ambitie had: zie de bergbeklimmers die de Mount Everest willen beklimmen. Voor deze mensen draagt het enorme gevaar dat inherent is aan het beklimmen van dit soort bergen zijn eigen beloning in zich. Deze beloning is het volgende. Zodra de bergbeklimmer de berg bedwongen heeft weet hij dat hij geslaagd is in zijn opzet en dat deze berg hem niet heeft overwonnen. En hoe hoger de berg die bedwongen is, des te meer heeft de berg van de beklimmer verloren. En als de beklimmer de allerhoogste berg heeft beklommen, dan is niets in staat geweest de bergbeklimmer te overwinnen. De bergbeklimmer is dan onoverwinnelijk. En als je onoverwinnelijk bent, dan ben je god.
Een tweede goddelijke eigenschap, is onsterfelijkheid. De bergbeklimmer die aan de voet van de Mount Everest staat, wil levend van de top terug komen en dan kunnen zeggen: ‘Zelfs de hoogst berg ter wereld, de Moedergodin van de Aarde, Godin van de Hemels, kan mij niet doden. En als zelfs zij me niet kan doden, wie of wat dan wel?’ De bergbeklimmer wil zich onsterfelijk voelen, en onsterfelijk, dat zijn alleen de goden. De vierde stap die de mens er toe brengt zijn leven op het spel te zetten om het schier onmogelijke te bereiken, is dat hij zelf god wil worden.

Dames en heren, rondom Mount Everest zal altijd een grote mystiek blijven hangen. Voor mij is het de ultieme plaats voor de grootste menselijke nieuwsgierigheid, voor de hoogste ambitie, het diepste spirituele besef, en vooral voor de sterkste drang naar goddelijkheid. George Mallory wist nog niet dat ik ooit deze rede naar aanleiding van hem zou schrijven. Toch wist hij dit alles meer dan driekwart eeuw geleden reeds samen te vatten in één enkele zin. Toen hem werd gevraagd waarom hij zo graag Mount Everest wilde beklimmen was zijn antwoord krachtig in al zijn eenvoud: ‘Because it is there…!’.

Ik dank u.
 


De Mens en zijn Berg
 

Geachte Heren van Mezekouw,
 

Trivialiteiten
Zo standaard als deze aanhef, zo gewoontjes mag dan ook best deze afscheidsrede beginnen. Ik zal het – vrees ik – niet kunnen nalaten om te verhalen over gebeurtenissen in het verleden, doorspekt uiteraard met de nodige data.
Zo’n datum is 11 juli 1997, op twee weken na 4 jaar geleden, de dag waarop het allemaal officieel werd, want toenmalig rector magnificus Job Cohen spelde het toen inmiddels door mij felbegeerde Mezekouwspeldje op. Enkele dagen daarvoor was Cohen zelf formeel lid gemaakt als een soort van buitengewoon Commilito, iets wat hij zich waarschijnlijk nooit volledig gerealiseerd heeft. Overigens heeft Mezekouw hiermee inmiddels waarschijnlijk wel een politieke hardheidstest doorstaan, want er zullen ongetwijfeld journalisten zijn geweest die diep in het leven van Cohen zijn gaan spitten na zijn benoemingen tot respectievelijk Staatssecretaris van Justitie en Burgemeester van Amsterdam. We hebben in ieder geval nog niets compromiterends over Cohen aangaande Mezekouw in de pers mogen vernemen.
Enfin, zo kan ik natuurlijk nog wel even omwentelen in verdere stereotypen. Uiteraard begin ik met te vertellen dat ik mij intussen een vijfde wiel aan de wagen voel, en dat ik elke Mezekouwer inmiddels kan rangschikken naar rato van aan- danwel afwezigheid van voetbalkundige kwaliteiten en eigenschappen. Vervolgens ga ik verder met te vertellen dat ik het eigenlijk nergens over wil hebben, want dat mijn kandidaatsrede al mijn meesterwerk was en dus onovertrefbaar voor mij: want zo spraken de schriftgeleerden in die tijd volgens de overlevering. Vervolgens ga ik verder met mijn computer die mij duidelijk maakt dat naast een handjevol andere schrijfopdrachten, na bijna vijf jaar, deze rede nummer 14 in de rij is geworden. Ha, ha, het vaste rugnummer van Johan Cruijff grap ik dan natuurlijk nog, en ga vrolijk verder met me hardop af te vragen: wie is de Cruijff van Mezekouw?!

Bekentenissen
Tot daar toe. Ik zei zojuist schrijfopdracht...Want zo is het toch? Wij, Mezekouwers, leggen schrijfopdrachten op aan onszelf. Wanneer de desbetreffende datum nadert, overvalt ons een onbehaaglijk gevoel – gelijk het gevoel van een vrouw moet zijn in de week voor haar ongesteldheid: het is onoverkomelijk, onvermijdelijk, het komt eraan; alleen het bloederige, of bloody zoals de engelsen zeggen, het bloederige verhaal moet nog even geschreven worden.
Tegelijkertijd moet ik bekennen dat dit voor mij de meest succesvolle formule is, want met alle bescheidenheid en tevens enige beschaamdheid kan ik zeggen dat mijn beste redes, opstellen, tekeningen en andere opdrachten onder de tijdsdruk van een deadline gefabriceerd zijn. Overigens resulteert zo’n rede na uren/dagen/weken uitstel, enkele uren schrijven, en een uurtje voordracht en verdediging in een goed gevoel dat wellicht omschreven kan worden als een slordige 15 minutes of fame, waarin iedereen op zijn hoogst nog eens vol bewondering complimenten maakt, en er wellicht op de sociëteit nog even over nakeuvelt.
Eigenlijk had ik mij best kunnen drukken voor deze rede – velen krimpen immers ineen bij het toewijzen van de schaars beschikbare formele dispuutsavonden – ware het niet dat ik uiteindelijk waarschijnlijk toch niet onder een afscheidsrede uit had kunnen komen. Maar in een vlaag van verstandsverbijstering kwam ik zelf met de suggestie vandaag te mogen spreken. Daarom kan ik u meedelen dat deze rede valt onder een speciale categorie, genaamd self-inflicted. De overtreffende trap hiervan is als men van te voren ook nog eens aangeeft waarover men gaat spreken. En dit is uitermate gevaarlijk,  want wie van U durft hier te beweren dat hij nog nooit aan een rede begonnen is die niet afliep zoals van te voren bedoeld. En hoe handig was dat wel niet, want ondanks het nagalmen van de kraaiende haan in je hoofd tijdens de verdediging van je rede zou niemand ooit achter deze zelfverloochening komen.

De Aanleiding
Lijkt mij nu tijd nog eens fijntjes uit de doeken te doen wat ik U beloofd heb: een reflectie op de rede die ik samen met de Tweeling schreef ter gelegenheid van het derde quadriennium, inmiddels al weer bijna anderhalf jaar geleden. Een rede die begon met een citaat van George Mallory: ‘I can’t see myself coming down defeated’, zei hij, doelend op zijn vaste voornemen de eerste beklimmer van Mount Everest te worden in 1924.
Ik was destijds – en ben dat nog steeds – compleet in de ban van zijn mysterieuze verdwijning hoog op de noordelijke flanken van Everest in juni 1924, en van de vondst van zijn lichaam bijna precies 75 jaar later in 1999. Daarmee was het mysterie echter niet opgelost – sterker nog, het wakkerde het mysterie juist aan. Het jaar erop was er reeds een handvol boeken gepubliceerd over deze vondst, met uiteraard uiteenlopende theorieën over of Mallory en/of zijn kompaan Irvine nu wel of niet de top hadden bereikt in 1924, of ze het mogelijkerwijs hadden kunnen halen, over interpretaties van ooggetuigeverslagen, en ga zo maar door.
Eén van deze boeken had ik inmiddels in mijn bezit, en dit boek – Ghosts of Everest – inspireerde ons zodanig dat wij als een ware eensgezinde Tweeling – Ewout van dispuutsnaam, ik van sterrenbeeld – aan de slag gingen. Wat ons het meest fascineerde waren de overwegingen die mensen hebben om willens en wetens met gevaar voor eigen leven een hoge berg als Everest te willen beklimmen, die in absoluut fysische zin gezien waarschijnlijk aan de rand van het menslijk mogelijke ligt.
De statistieken liegen er niet om: in de eerste vijftig jaar, de beginjaren, van 1922 tot 1972, zijn er 28 geslaagde beklimmingen en ook precies 28 doden geweest. Daarna, met nieuwe en betere uitrustingen en met het aanbreken van het tijdperk van de commerciële expedities zijn er tot en met het jaar 2000 maar liefst 1286 geslaagde beklimmingen met 137 doden te vieren respecteivelijk te betreuren geweest. Het is er dus relatief beter op geworden: van 1 op 1 naar ongeveer 1 op 9.
Het blijft echter een gevaarlijke zaak dus. In onze quadrienniumrede betoogden we dat de mens dit in eerste instantie doet uit nieuwsgierigheid: hij wil altijd weten wat er achter de horizon zit. Later kan hij zich realiseren dat zijn reis, zijn beklimming, op zich ook doel kan zijn. De reis is de bestemming zelf. Nog een stapje verder, hoger, haakt in op de mythologie van de mens, waarin hoge bergen altijd beschouwd werden als woonplaats van de goden. De mens is aldus op zoek naar de goden. De laatste, zij het wat gewaagde stap was dat de mens niet alleen op zoek is naar het huis van de goden, maar er zelf wil wonen, het geheim van goden wil ervaren en begrijpen, en een van hen wil worden.
Uiteraard ging ik vol goede moed met deze vier verworven (want niet verworpen) waarheden naar Peru. En uiteraard had ik U – trots en overtuigd als ik was – in het vooruitzicht gesteld om hier in de vorm van een reflectie de theorie in de praktijk van het Andesgebergte te toetsen. Aldus een analyse van mijn self-infliction.

De Reflectie
Om de vraagstelling uit de quadrienniumrede ‘Waarom doen mensen gevaarlijke dingen’ maar meteen op mijzelf te projecteren; ik kan U hierover – in alle eerlijkheid – het volgende antwoorden: ik wilde weten hoe het was om op een hoge top te staan, wilde actie, spanning en avontuur. Zie daar de eerste twee beweegredenen die de mens volgens ons had om bergen te beklimmen.
 De laatste twee beweegredenen – het bezoeken en bewonen van het huis van de goden – wachten voorlopig nog steeds op bevestiging. Waar ik wel wat over kan zeggen is de spirituele reis die men maakt bij de beklimming van een berg. Urenlang loopt men te zwoegen door de sneeuw. Er gaat van alles door je heen – tijd verdwijnt in eeuwigheid.
Bij dit soort expeditieklimmen is het helaas niet mogelijk om het busje naast de gletscher te parkeren, en lekker een stukje te gaan lopen. Na een trek van drie dagen, en een klim van twee dagen ben je pas in positie voor een toppoging, vooropgesteld dat je al geacclimatiseerd bent, want die hoogte gaat je niet in de koude kleren zitten. Tijdens die trek hoef je niet alles zelf te dragen, daar zijn uitgemergelde ezeltjes en dito Peruanen voor ingehuurd. Dan is gewicht nog niet zo belangrijk, en het meegenomen boek gaat vanzelfsprekend in de dagrugzak. Tijd genoeg – als het enigszins meezit – om nog wat van de 903 pagina’s te verslinden. De ontdekking van de hemel. Het moest er toch maar eens van komen, want het stond eerlijk gezegd al sinds het behalen van mijn eindexamen te pronken in mijn boekenkast, alwaar het valselijk – doch niet zonder succes – mijn eruditie veinsde. Uiteraard hoopte ik op wat wijsheid, die mijn klim zou verrijken. Tijdens het klimmen was het fantastisch om de gelezen hoofdstukken te laten bezinken, nu kan ik er terugkijkend hierop wel het een en ander over zeggen.

De Gouden Muur
Eén van de vele mooie thema’s uit het boek komt tot uitdrukking in het verhaal over de Gouden Muur. Aan de ene kant heb je het gepeupel dat van het centrum van haar leefwereld gescheiden wordt door een Gouden Muur. Zij bezien de andere kant van de Gouden Muur als een soort paradijselijke omgeving, met bewoners die in al hun wijsheid heersen over hen, en orde scheppen in de complexiteit, die ver te boven gaat aan het bevattingsvermogen van de gewone sterveling.
Zo zou je het beklimmen van een berg ook kunnen zien. De Gouden Muur is als een kroontje boven op de top van elke berg. Hoe hoger de berg, hoe hoger en indrukwekkender de Muur. Met het beklimmen van de berg wordt je bewoner van de Gouden Stad, om het zo maar even te noemen. De heroïsche verhalen die je hoort van beklimmingen van een bepaalde berg, of alleen al een gigantisch aanzicht hiervan, bevestigen dit alles.
Ik kan U meedelen dat ik sinds kort dan ook ‘Gouden Stad’-bewoner ben geworden. En ook ik moet dezelfde conclusie trekken als in de parabel van de Gouden Muur getrokken wordt: achter de Muur is het allemaal precies hetzelfde. Natuurlijk heb je boven op een berg een prachtig uitzicht – als je geluk hebt – maar datzelfde uitzicht kun je aan de andere kant van de Muur ook wel vinden als je goed zoekt.
En daar sta je dan op 6034m. hoogte, op de top van een berg genaamd Tocllaraju. Als een boer met kiespijn pers je er een glimlach uit voor op de foto, want je voelt de uitputting, gebrek aan zuurstof en voedsel méér dan de euforie. Hier en daar glinstert de Gouden Muur in het zonlicht, maar dat deed hij aan de andere kant ook. Het enige verschil is dat je er nu op neer kijkt, na er uren en dagen tegen op te hebben gekeken. Niks geen godenbezoek dus, slechts de ervaring dat het doel bereikt is, dat het een hele onderneming is geweest, en – vooral – het besef dat je pas halverwege bent.
Dat was de eerste tocht. De toppoging tijdens de tweede tocht hebben we wegens slecht weer moeten afblazen. We hebben meer dan 40 uur op 5450m. hoogte gekampeerd (of gekrampeerd, om er maar eens wat Landmacht-jargon bij te halen), zonder zelfs maar de top van Alpamayo te kunnen zien. Maar ondanks dat ben ik er van overtuigd dat daar boven rond die top een gouden kroontje te ontwaren zou zijn geweest. En ik wil nu nog meer dan ervoor weten wat er achter die Gouden Muur ligt.

De Paradox
Vanwaar dan toch mijn tegendraadsheid? Ik kan natuurlijk met de uitvlucht komen dat ik als kind iets pas geloofde als ik het met ogen had gezien, en niets aannam als ik het zelf niet ervaren of ondergaan had. Dat is inderdaad de schaduwkant van de medaille die aan de voorkant ‘onstilbare nieuwsgierigheid’ heet. Maar er zal toch wel meer zijn? Als dit het enige is, en ik tegelijkertijd mezelf niet als tegendraads beschouw, hoe moet dat dan verder met die deadlink in mijn hoofd?
 De uitweg vond ik na een gesprek met een Peruaanse bergbeklimmer – eigenlijk DE bergbeklimmer van Peru. De man had twee maal als gids de top van Everest bereikt, en heeft een uitgebreid klim-resumé. Toen ik hem eens uitgehoord had over alles wat je als Everest-amateur zo zou willen weten van een echte summiter, vertelde ik hem over de quadrienniumrede en wat volgens mij de beweegredenen waren van mensen om het doel na te streven Everest te beklimmen. Hij vertelde me toen dat het niet uitmaakte welke berg dat je beklom, want de werkelijke berg die iedereen beklimt, die zit in je hoofd. Bergbeklimmen is niet een strijd tegen de berg en tegen de elementen, maar een innerlijke strijd met jezelf.
 De uitvlucht van mijn tegendraadsheid is dus de constatering dat ik er een paradox bij gevonden heb. Elke berg die ik namelijk weer beklim in de toekomst, elke Gouden Muur waar ik overheen klauter, zal in werkelijkheid een beklimming zijn van de berg in mijn hoofd. En met elke berg de ik beklim, zal ik een stukje hoger komen op de berg in mij. En natuurlijk hebben al die bergen overal te wereld hun Gouden Muur en zal ik van al die bergen willen weten wat er achter die Muur te vinden is; de Muur waar ik dan inmiddels misschien al wel tientallen keren overheen geklommen ben.

Epiloog
De top van mijn eigen, innerlijke berg, die ligt altijd hoger dan ik denk, en die zal ik nooit bereiken. Achter elk steil sneeuwveld zal weer een volgend veld liggen, wellicht nog steiler dan het vorige. Heel mijn leven zal ik aldus blijven klimmen, en misschien af en toe een beetje moeten afdalen, om op een ander stuk weer omhoog te kunnen gaan. De klim zelf is aldus het doel van deze klim.
Daarmee kan ik aldus bevestigen dat de eerste twee beweegredenen kloppen, en dat de tweede – doel is de reis zelf – boven de eerste – nieuwsgierigheid – uitstijgt. Verder heb ik dus kunnen bepalen dat er boven op de top van een berg geen goden te vinden zijn: aan de andere kant van de Gouden Muur is het immers precies hetzelfde. Maar uiteraard kan ik hieromtrent niets zeggen over de top van mijn eigen, innerlijke berg. Er zijn maar heel weinig mensen geweest in de geschiedenis die waarlijk hebben kunnen zeggen ooit zelfs maar een glimp van de top van hun eigen berg te hebben gezien. Mocht ik mij ooit in dat selectieve rijtje kunnen scharen, dan zal ik het U wellicht meedelen.
Voor ik afsluit moet ik uiteraard in dit gedeelte terugkomen op de titel van dit stuk. Epiloog. Zo. Dat was dat dan weer. Laat ik dit gedeelte dan maar reserveren voor alle plichtmatigheden, zoals dat kennelijk hoort in een afscheidsrede. Maar tegelijkertijd laat ik het daarbij, en verleid ik mij niet me te verlagen door ze hier op te dreunen, om als in een Oscar-uitreiking iedereen te bedanken, terwijl ik geveinsd emotioneel sta te janken.
Neen! Laat ik afsluiten door te zeggen dat ik inmiddels een flink stuk hoger sta op mijn eigen berg, stevig gezekerd, dat ik in de diepte onder mij het Mezekouw Basecamp van vijf jaar terug nog vol nostalgie zie staan, dat ik onder me mijn achterliggende sporen zie meanderen door de lagere bergflanken, en dat voor mij de vaste touwen van Mezekouw, stevig verankerd, naar boven leiden.
 

-Dixie-